Wetsvoorstel werk en zekerheid: versoepeling ontslagrecht?

Wetsvoorstel werk en zekerheid: versoepeling ontslagrecht?

Rob de Bruin

Op vrijdag 29 november jl. heeft Minister Lodewijk Asscher het wetsvoorstel Werk en Zekerheid naar de Tweede Kamer gestuurd. Het gaat om maatregelen die in het Sociaal Akkoord met vakbonden en werkgevers zijn afgesproken. Dit wetsvoorstel wordt door het kabinet steevast gepresenteerd als een versoepeling van het Ontslagrecht en het zou een einde moeten maken aan de hoge mate van ontslagbescherming, die de Nederlandse werknemer heeft in vergelijking met werknemers in andere Europese landen.

Of dat doel daadwerkelijk wordt bereikt valt te betwijfelen. Zo wordt er bijvoorbeeld in het wetsvoorstel geregeld dat een werknemer twee weken bedenktijd krijgt om eventueel terug te komen op een met de werkgever getroffen minnelijke regeling. Dat plaatst de werkgever uiteraard in een zeer oncomfortabele positie. De met de werknemer getroffen minnelijke regeling wordt namelijk eerst definitief, nadat de twee weken zijn verstreken. Mocht de werknemer zich bedenken binnen de termijn van twee weken, dan is de werkgever weer terug bij af en dient hij zijn positie opnieuw te bepalen. Niet uitgesloten is dat de werknemer (meerdere malen) van de bedenktijd gebruik maakt om een beter onderhandelingsresultaat te bereiken. Bijkomend nadeel voor de werkgever is dat in de tussentijd de arbeidsovereenkomst doorloopt en daarmee de verplichting tot betaling van het salaris. 

Ook blijft er voor de werkgever een langere tijd (rechts)onzekerheid bestaan doordat in het wetsvoorstel is neergelegd dat hoger beroep en cassatie kan worden ingesteld tegen een ontslagbeslissing van de werkgever. Een recht dat onder de huidige wetgeving niet bestaat. Ook de mogelijkheid van hoger beroep (en cassatie) leidt tot een langere termijn van onzekerheid over de vraag of een ontslag al dan niet op juiste gronden is gegeven en of in dat kader aan de werknemer een juiste ontslagvergoeding is toegekend. Over de hoogte van de ontslagvergoeding bepaalt het wetsvoorstel dat de werknemer recht heeft op een maximale ontslagvergoeding van € 75.000,00 of (indien lager) een jaarsalaris. Op die regel is evenwel een uitzondering mogelijk. Een werknemer kan namelijk een extra vergoeding claimen, indien hij meent dat er in zijn geval sprake is van een aan de werkgever ernstig verwijtbaar ontslag. Voor die in dat geval toe te kennen extra ontslagvergoeding is in het wetsvoorstel geen limiet opgenomen. Over de vraag of een ontslag aan de werkgever ernstig verwijtbaar is kan natuurlijk uitvoerig worden gediscussieerd en naar mag worden aangenomen zal dat na invoering van de wet ook zeker worden gedaan. Advocaten die voor de werknemer optreden zullen immers in procedures de rechter ervan proberen te overtuigen dat er sprake is van een ernstig verwijtbaar ontslag, zodat aan hun cliënt een extra hoge ontslagvergoeding moet worden toegekend. Na invoering van de wet (medio 2015) mag dan ook verwacht worden dat de rechters het drukker krijgen. Ook als gevolg van de mogelijkheid van hoger beroep en cassatie. 

De vraag kan worden gesteld waarom van werkgeverszijde met dit wetsvoorstel is ingestemd. Werkgevers hebben de maximering van de ontslagvergoeding gekregen, maar eigenlijk is er geen sprake van een echte maximering. De werknemers hebben daarentegen de mogelijkheid gekregen om beroep en cassatie aan te tekenen tegen hun ontslagbeslissing en krijgen een wettelijk recht op een ontslagvergoeding. Het gerucht doet de ronde dat van werkgeverszijde hiermee is ingestemd om rust te brengen binnen de vakbeweging FNV. Dat doel is in ieder geval bereikt!

La Gro Advocaten


Reacties